Ondersteuning in het huishouden bieden, met minder geld

Bij het behandelen van de begroting 2020-2023 werd duidelijk dat er geen mogelijkheden meer waren om sommige bezuinigingsvoorstellen tegen te houden, die invloed hebben op (kwetsbare) inwoners. Een geplande besparing op ‘Ondersteuning Huishouden’ (OH) is daarvan een voorbeeld. Achterliggende oorzaak: de zorgvraag neemt toe, terwijl het (rechtse) Rijksbeleid tot steeds grotere tekorten leidt. Vorig jaar is een GroenLinks motie aangenomen die uitsprak dat een besparing niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de zorg. Gesprekken maken duidelijk: er zijn geen makkelijke oplossingen.

22 juni mocht ik met collega-raadslid Hadassa Meijer een tweetal gesprekken leiden, met zorgaanbieders en met enkele leden van de WMO-Raad. Dit n.a.v. mogelijkheden (zie ook bij meer lezen, rapport als PDF) die adviesbureau BMC al eerder met hen had verkend, voor het goedkoper organiseren van de OH. (Helaas is het niet gelukt ook zorgcliënten bereid te vinden mee te doen met ons gesprek, in een kamer in het stadhuis, die was ingericht op 1,5 meter afstand.) Ik wil een paar zaken noemen die me zijn opgevallen.
 
Er is brede steun voor de gedachte dat de toegang tot de OH, die volgens de filosofie van de ‘participatiesamenleving’ na een uitgebreid (keukentafel)gesprek plaatsvindt, goedkoper georganiseerd kan worden. In alle nuchterheid wordt geconstateerd: de zorg wordt nu bijna altijd toegekend. Het zou goed zijn als inwoners eerder een beroep zouden doen op hulp, zodat er nog andere oplossingen besproken kunnen worden, maar men wacht daarmee het liefst vaak zo lang mogelijk. De toegangsgesprekken zoals ze nu worden gevoerd zijn daardoor niet erg zinvol – ook omdat de zorgaanbieders (vanzelfsprekend) uitgebreid kennismaken met de cliënt en kijken wat er nodig is.
 
Daarnaast is er redelijk wat steun voor de gedachte om met een beperkter aantal zorgaanbieders en welzijnswerk te gaan samenwerken per gebiedsdeel. Inhoudelijk betekent dat hopelijk meer effectieve preventie van zorg en een hoger welzijn, organisatorisch kan het tot meer efficiëntie leiden (o.a. door te besparen op reistijd en door medewerkers te delen). Daarbij kan ook het combineren van OH met verzorging voor efficiency zorgen: als zorgontvangers minder vaak de voordeur hoeven open te doen, kost het minder geld.
 
Het is nog niet duidelijk of hiermee voldoende besparingen worden behaald, maar waarschijnlijk niet. De zoektocht zal zich ook moeten richten op meer praktische oplossingen. Zo kan hulp bij de zwaarste klussen door studenten – uitsoppen van de keukenkastjes bijvoorbeeld –de noodzaak van reguliere OH (een tijdje) wegnemen. Ook is berekend dat het ‘uitbesteden’ van de was, een ophaaldienst die de was doet voor cliënten, een flinke besparing op kan leveren – zeker als ook een besparingsbijdrage van cliënten wordt gevraagd, die anders zelf de wasmachine moeten laten draaien. Mede gezien ervaringen elders, waren sommigen hier in de gesprekken sceptisch over.
 
Ook is o.a. gesproken over strikter omgaan met het strijkwerk. ‘Schone en draagbare kleding zijn ook te bereiken door wasgoed slim te drogen en/of door gebruik te maken van strijkvrije kleding’, zo wordt het door BMC geformuleerd. Over dit soort zaken wordt verschillend gedacht, maar je voelde in de gesprekken ook: als zorgvragers een maatje krijgen dat hen op een prettige manier helpt om oplossingen te vinden en te wennen, dan scheelt dat een stuk.
 
De gesprekken hebben mij geholpen om beter te begrijpen wat er kan en wat het betekent als we met de gemeenteraad keuzes gaan maken, zoals ik hierboven beschreef. Wilt u hierop reageren? Stuur mij dan gerust een mailtje: j.kort@enschede.nl Na de zomer kan de gemeenteraad aan de wethouder meegeven welke wensen en bedenkingen er zijn rond dit belangrijke onderwerp.