Column van Bart Peeters Weem

Beste lezer,
Door de coronacrisis leren we veel over onszelf en over de wereld om on heen. Over grote dingen als de samenleving, de economie en globalisering. Over kleine dingen als de waarde van wc papier, handen wassen en de toegevoegde waarde van Irma Sluis. En ook over meer triviale dingen, die misschien toch meer zeggen over onszelf dan je in eerste instantie zou denken.

Zo ben ik bijvoorbeeld achter gekomen dat in Duitsland het televisieprogramma Big Brother nog steeds bestaat. Ik wist dat niet. Onze eigen eerste Big Brother was 23 jaar geleden, toen we keken naar onze -even lekker knuffelen- Ruud. Iets dat nu dus niet meer mag. Ook Ruud moet anderhalve meter afstand houden. Maar de Duitse Big Brother kwam in maart in het Nederlandse nieuws omdat de Big Brother bewoners live op tv werd verteld over de corona crisis. In één klap kregen ze alle informatie, de toespraak van Merkel en alle maatregelen op hun dak. Waar bij ons de maatregelen nog relatief geleidelijk werden ingevoerd of aangekondigd, veranderde bij die bewoners in een paar minuten hun hele wereldbeeld. Bizar. De bewoners mochten als ze wilden ook meteen dat huis verlaten. Om naar hun geliefde toe te gaan. Om ze, zoals Ruud het zou zeggen, ‘ze ff lekker te knuffelen.’ Maar dat kan in coronatijd dus eigenlijk niet. We zijn door de crisis ons (nog) meer de waarde van iets basaals als gewoon ‘effe lekker knuffelen’ gaan realiseren. We hebben allemaal onze innerlijke Ruud herontdekt.

Ook ben ik erachter gekomen dat ook in theorie sommige Nederlandse winkelstraten te druk zijn. Dat zal ik uitleggen. In hun zoektocht naar het weer opstarten van de economie hebben experts onderzoek gedaan naar de ruimte die in winkelstraten nodig is voor het houden van anderhalve meter afstand. Hun conclusie was: er is in theorie genoeg ruimte in Nederland om met z’n allen op zaterdagmiddag op anderhalve meter afstand door de winkelstraten te banjeren. Wiskundig kan het. Nu dat nog aan de mensen zelf uitleggen. We zetten denk ik een bordje neer in de binnenstad met de tekst: “Dames en heren theoretisch moet dit kunnen. Houdt u zich vooral aan de theorie.” Alleen zijn er ook een paar Nederlandse winkelstraten die zelfs voor de theorie toch echt té druk zijn. Bijvoorbeeld de Kalverstraat in Amsterdam, wellicht voorspelbaar. De Amsterdamse Nieuwendijk, natuurlijk, met al zijn toeristen. Hoog Catharijne in Utrecht, kan ik me ook wel wat bij voorstellen. Of de Klanderij in Enschede, op plek twee (!) met het meeste publiek per vierkante meter op zaterdagmiddag. Ergens maakt in Enschedese een promotiemedewerker een vreugdedansje, want we doen als Enschede mee met de groten. Of eigenlijk met de kleinen, want de Klanderij is dus te klein voor de hoeveelheid mensen. Al wisten u en ik natuurlijk allang dat de Klanderij heel druk was. Ik ben daar ooit per ongeluk op een zaterdagmiddag in gelopen en heb het hele weekend vastgestaan. Ik wordt soms ’s nachts nog badend in het zweet wakker omdat ik droom dat ik door het winkelend publiek de Mediamarkt in wordt geduwd, terwijl ik eigenlijk in de H&M moet zijn. Dat wens je je ergste vijand nog niet toe. Door corona krijgen we eindelijk erkenning voor de hel van de Klanderij op zaterdagmiddag. Waar ik nog bij wil zeggen dat het, net als bij de oorlog, niet netjes is hier alleen de Duitsers de schuld van te geven.

Zo leren we dingen, misschien juist in tijden van tegenspoed. Al is die kennis misschien niet in alle gevallen even relevant. Maar dat relativeert ook weer. Want relativeren kun je ook leren, zelfs in coronatijd.